Delen
Mankjes, een swaantje en bolle dobbelen
Dagen voor Sint-Nicolaas zetten de kinderen hooi en roggebrood neer voor de schimmel. Mankjes, hun schoenen, brachten ze bij ooms en tantes, en die haalden ze op 7 december gevuld weer op. Na de aanleg van de Amsteldiepdijk werd dat 6 december: de Sint hoefde niet meer per boot over het water. Kwam hij langs, en dat gebeurde zelden, dan rammelde hij met een ketting. Dat geluid was al genoeg.
Ze zongen: "Sinterklaas, goed heilig man, trek je beste sloffen an, gaan er mee naar Amsterdam, van Amsterdam naar Spanje, appeltjes van Oranje, peertjes van de hoge boom, Sinterklaas die goeie oom." In plaats van sloffen ook wel tabberd. Dat was waarschijnlijk een woord dat niemand meer goed kon uitleggen, en sloffen kwam ervoor in de plaats. Voor het feest bakte men toai en krentenbrood in de vorm van een swaantje.
De oudere jongens gingen bolle dobbelen, met Sint-Nicolaas en op andere feestdagen. De herbergier liep met het smakbord rond, meestal een tafellade, en riep: "Ien man, wie is twie?" Daarna "twie man, wie is drie?", zo tot er zes waren. Ieder zette een stuiver in. Wie het hoogst gooide, kreeg een krentenbol. De kunst was om met een zak vol krentenbollen naar huis te gaan.
Bron: Henk Braad: Zeden en gebruiken op het eiland Wieringen